De trommel verstekken
Lang voordat er beiaardiers waren die met hun handen speelden, lieten torens al melodieën horen met een trommel: een grote koperen cilinder vol gaatjes, waarin pennen worden gezet die bij het draaien van de trommel hefbomen optillen, die op hun beurt hamers tegen de buitenkant van de klokken laten slaan. Het uurwerk laat de trommel elk kwartier een stukje draaien. Bij ons speelt hij op het hele uur een lange melodie, op het halve uur een kortere en op de kwartieren een paar maten.
Twee keer per jaar, in het voorjaar en in de herfst, krijgt de trommel nieuwe melodieën. Dat heet verstekken. Alle pennen gaan eruit, en volgens een uitgeschreven plan, een soort ruitjespapier waarop elke noot een vakje heeft, worden ze op nieuwe plekken weer in de trommel gezet en vastgedraaid. De stadsbeiaardier kiest de melodieën en tekent het plan, en vandaag mocht ik voor het eerst helpen, van negen uur ’s ochtends tot half zes, in de trommelkamer, een verdieping onder de speelcabine.
Wat we deden, in cijfers:
- 1.184 oude pennen eruit, gesorteerd in bakjes, want ze zijn niet allemaal even lang;
- 1.217 pennen er weer in, voor vier nieuwe melodieën: een lentelied voor het hele uur, een psalm voor het halve uur en twee korte stukjes voor de kwartieren;
- 33 pennen uit een la met reserves, omdat de nieuwe melodieën meer noten hebben dan de oude;
- drie keer proefdraaien met de hand, waarbij twee pennen op de verkeerde plek bleken te zitten.
Om vijf uur hebben we de trommel weer aan het uurwerk gekoppeld en gewacht. Om half zes speelde de toren voor het eerst de nieuwe psalm voor het halve uur, en we stonden er allebei met onze armen over elkaar naar te luisteren, alsof we hem niet zelf hadden ingezet. Hij klopte. Tot het najaar hoort de hele stad elk half uur iets waar mijn vingers aan hebben gezeten, en niemand die het weet.