Klokkenstoel

Een halfuur voor de hele markt

2 augustus 2025 · 3 min lezen

Op zaterdagochtend speelt de stadsbeiaardier van elf tot twaalf voor de markt. In het voorjaar had hij gezegd dat ik in de zomer een halfuur mocht overnemen, en vandaag was het zover: hij speelde van elf tot half twaalf, ik van half twaalf tot twaalf. Ik had het programma drie weken geleden bij hem ingeleverd, het hele halfuur twaalf keer gespeeld op het oefenklavier en twee keer op de klokken, na de bespeling op woensdagmiddag.

Het programma:

  • Merck toch hoe sterck, de bewerking waarmee ik vorig jaar begon, nu met de volledige bas;
  • twee menuetten en een gavotte uit de achttiende eeuw;
  • een bewerking van een Engels volksliedje, met lange tremolo’s in de hoge klokken;
  • Engels Nachtegaeltje, nu in de echte versie, maar langzamer dan Van Eyck het bedoeld zal hebben;
  • een avondlied als afsluiting, om vijf voor twaalf, voordat het uurwerk de klokken overneemt.

Het ging beter dan ik had gedacht en slechter dan ik had gehoopt. In de gavotte miste ik een stok, waardoor er midden in een rustig stuk een verkeerde klok van een paar honderd kilo door de binnenstad galmde. In het volksliedje bleef de tremolo in de hoge klokken haperen, omdat mijn linkerhand verkrampte, en heb ik de melodie twee maten met één hand gespeeld. De stadsbeiaardier zat naast me en zei niets, wat bij hem betekent dat het goed genoeg was.

Om twaalf uur, toen het uurwerk de klokken had overgenomen, liepen we samen de honderdzesentachtig treden af. Beneden op de markt werden de kramen al afgebroken. De vrouw van de kaaskraam, die vorig jaar iets nieuws had gehoord, riep naar me dat ze het nu wél wist, en dat ze de gavotte zo mooi vond. Juist de gavotte. In mijn schrift staat bij vandaag: zeven stukken, twee fouten, één vrouw van de kaaskraam.