Klokkenstoel

Tremolo

27 juli 2024 · 3 min lezen

Op een piano houd je een toon vast door de toets ingedrukt te houden. Op een beiaard kan dat niet. Een klok wordt aangeslagen en klinkt dan uit, de grote klokken lang, de kleine klokken bovenin maar een paar tellen. Wie in de hoge klokken een lange noot wil laten klinken, slaat hem daarom een paar keer snel achter elkaar aan, met twee handen om en om op dezelfde stok. Dat heet een tremolo, en het is het eerste wat een beiaardier leert dat een pianist niet kent.

Sinds maart oefen ik tremolo’s op het oefenklavier, drie keer per week een uur, zoals afgesproken. Het moeilijke is dat een tremolo gelijkmatig moet zijn en zacht moet beginnen, zodat hij niet klinkt als een wekker. De stadsbeiaardier laat me tellen: vier slagen per tel, dan zes, dan acht, met een metronoom op de vensterbank. Bij acht klonk het in april nog als iemand die op een deur bonst. Inmiddels lukt het in langzame stukken, met mijn rechterhand beter dan met mijn linker.

Mijn eerste stukken, uit het boekje dat ik in februari kreeg:

  • een eenvoudige bewerking van Merck toch hoe sterck, een lied uit de zeventiende eeuw, met de melodie in de rechterhand en een paar bastonen in de pedalen;
  • een menuet van zestien maten, voor twee handen;
  • een avondlied met lange noten, dat ik eigenlijk alleen voor de tremolo’s speel;
  • het begin van Engels Nachtegaeltje van Jacob van Eyck, in een versie voor beginners, die nog steeds te snel voor me is.

Vanochtend mocht ik voor het eerst op de echte klokken spelen, na de marktbespeling, toen de markt al werd opgeruimd. Een kwartier, alleen het menuet en het avondlied, allebei twee keer. In de speelcabine hoor je de klokken van dichtbij en door elkaar, en niet zoals de stad ze hoort, dus je speelt voor een deel op je gevoel. Toen ik daarna over de markt naar huis fietste, zei de vrouw van de kaaskraam dat ze iets nieuws had gehoord. Ik heb niet gezegd dat ik het was.